Back to top

Trollenwandeling - WORSTENDIEF

November, de slachtmaand was voorbij, de worsten hingen te drogen in de schouwen… nog 5 dagen voor kerstmis. Worstendief was aangekomen in ’t dorp. Hij vond gans de troep trollen achter het bakhuizeke. Met veel geknor en hangende hoofden legden ze hun probleem uit.
“Ho ho”, zei Worstendief “Ik ben een dief, ik vis rookworst uit de schouw, en gebakken worsten van de tafels, ik wete kik niks over geschenken, gelukkige gezichten of  gevuules, Mor alé, ‘k zien dat onze Kaasvreter zen eige da hèt aantrekt, dus losse ‘k dat wel oep! Mor lot me na iërst een wôstje tussen m’n taande steke.”
Uren later zat Worstendief nog op de nok van ’t dak het zoveelste worstje uit de schouw te vissen. “Wa zen ze weer goe dees jaar!”
Hij veegde zijne vettige mond aan zijn mouw, en zijn vuil handen aan zijn vest. Hij voelde het roet van de schouw aan zijn handen plakken en wreef het zwarte stof tussen zijn vingertoppen. “Dat is’t!”  Hij klauterde van ’t dak, zocht zijn broers op om zij ideetje uit de doeken te doen. Met zijn allen gingen ze de mislukte potloden van Kaasvreter verzamelen. Met het roet van de schouw, en wat trollenkunstjes vulde Worstendief de hulsjes op. Op zijn vuile gezicht vormde zich een glimlach bij de gedachte hoe blij Kaasvreter nu wel zou zijn als de kinderen zijn potloden wel leuk zouden vinden. Hij deed het voor zijn broer, ook al had hij zelf geen kadootje.
Tegen de morgen waren alle potloden verdeeld, die middag stonden Kaasvreter en Worstendief, arm over elkaars schouder, naar de tekenende kinderen te kijken.

Lees het verhaal van Vensterpieper